Isolatieweerstand meten: welke testspanning kiest u?
Een isolatieweerstandsmeting laat zien of de isolatie van kabels, elektrische installaties en arbeidsmiddelen nog voldoende weerstand biedt tegen lekstromen. Bij deze meting zet de isolatietester een gelijkspanning op het te testen object. Veel meters bieden verschillende testspanningen, zoals 50, 100, 250, 500 en 1.000 volt.
Welke testspanning moet u kiezen? Een te lage spanning kan een isolatiefout onzichtbaar laten. Een te hoge spanning kan gevoelige elektronica beschadigen. De juiste keuze hangt daarom af van het te testen object, de nominale spanning en de voorgeschreven meetmethode.
Wat gebeurt er tijdens een isolatiemeting?
Bij een isolatieweerstandsmeting wordt een relatief hoge gelijkspanning tussen geleidende delen aangelegd. Vervolgens meet het instrument hoeveel stroom door of over de isolatie loopt.
De meetwaarde wordt weergegeven in megaohm, afgekort als MΩ. In het algemeen geldt: hoe hoger de gemeten weerstand, hoe beter de isolerende werking. Een lage waarde kan wijzen op bijvoorbeeld:
- beschadigde kabelisolatie;

- vocht of vervuiling;
- veroudering van isolatiemateriaal;
- beschadigde verwarmingselementen;
- vervuilde motorwikkelingen;
- aangesloten elektronica of ontstoringscomponenten.
De testspanning moet hoog genoeg zijn om zwakke plekken in de isolatie zichtbaar te maken. Tegelijkertijd mag de meting geen schade veroorzaken.
Wanneer kiest u 250 volt?
Een testspanning van 250 V DC wordt vooral gebruikt bij circuits en apparatuur die niet zonder meer met 500 V mogen worden getest.
Denk bijvoorbeeld aan:
- SELV- en PELV-circuits;
- elektronische besturingen;
- communicatie- en signaalkabels;
- apparatuur met gevoelige halfgeleiders;
- installatiedelen waarin overspanningsbeveiliging of elektronica is aangesloten;
- bepaalde medische, automotive of batterijgevoede toepassingen.
Een meting met 250 V belast de isolatie minder zwaar dan een meting met 500 V. Dat maakt deze instelling geschikt voor gevoelige circuits, maar betekent niet dat 250 V altijd veilig is. Controleer vooraf altijd de instructies van de fabrikant en de toepasselijke norm.
Is elektronica aangesloten die niet tegen de testspanning bestand is? Koppel deze dan los of pas een andere voorgeschreven meetmethode toe.
Wanneer kiest u 500 volt?
Voor veel normale laagspanningsinstallaties en conventionele elektrische arbeidsmiddelen is 500 V DC de gebruikelijke testspanning. Ook fabrikanten van isolatieweerstandsmeters noemen 500 V als een veelgebruikte spanning voor routinematige metingen aan gebouwinstallaties en elektrische apparatuur.
U gebruikt 500 V bijvoorbeeld bij:
- 230V- en 400V-installatiecircuits;
- kabels en leidingen zonder aangesloten gevoelige elektronica;
- elektromotoren;
- verlengkabels en kabelhaspels;
- conventionele machines;
- verwarmingstoestellen;
- klasse I- en klasse II-arbeidsmiddelen, wanneer de voorgeschreven keuringsmethode dit toestaat.
Bij een elektrische installatie wordt doorgaans gemeten tussen de actieve geleiders en de beschermingsleiding. Afhankelijk van de installatie en meetprocedure kunnen de actieve geleiders daarbij onderling worden verbonden.
Let op: moderne apparatuur bevat vaak netfilters, varistoren, frequentieregelaars, voedingen of andere elektronische componenten. Daardoor kan 500 V een onjuiste meetwaarde geven of schade veroorzaken. Beoordeel daarom eerst wat daadwerkelijk met de testspanning wordt belast.
Wanneer kiest u 1.000 volt?
Een testspanning van 1.000 V DC wordt gebruikt voor installaties, machines, kabels en componenten met een hogere nominale spanning of wanneer een zwaardere beproeving is voorgeschreven.
Mogelijke toepassingen zijn:
- circuits met een nominale spanning boven 500 V;
- bepaalde industriële motoren en generatoren;
- industriële kabels;
- transformatoren;
- delen van PV-installaties;
- specifieke machine-installaties;
- onderhoudsmetingen waarbij men zwakke isolatie onder een hogere spanning wil opsporen.
Een meting met 1.000 V mag niet zonder meer als extra controle op een normaal 230V-apparaat worden uitgevoerd. De hogere spanning belast de isolatie en aangesloten componenten aanzienlijk zwaarder. Megger geeft aan dat 1.000 V kan worden gebruikt om zwakke isolatie beter zichtbaar te maken, terwijl 500 V gangbaar is voor routinematig onderhoud.
Gebruik 1.000 V daarom alleen wanneer de nominale spanning, de fabrikant of de toepasselijke norm dit voorschrijft.
Wanneer gebruikt u 50 of 100 volt?
Sommige isolatieweerstandsmeters bieden ook testspanningen van 50 of 100 V. Deze lage testspanningen worden toegepast bij zeer gevoelige elektronica en laagspanningscircuits, zoals:
- telecommunicatie-installaties;
- datakabels;
- sensoren;
- elektronische printplaten;
- batterijgevoede apparatuur;
- bepaalde voertuigsystemen;
- speciale meet- en regelsystemen.
Niet iedere isolatietester beschikt over deze instellingen. Uitgebreidere modellen bieden vaak 50, 100, 250, 500 en 1.000 V, terwijl eenvoudigere modellen alleen 250, 500 en 1.000 V leveren.
Overzicht van veelgebruikte testspanningen
| Testspanning | Veelvoorkomende toepassing |
|---|---|
| 50 of 100 V DC | Zeer gevoelige elektronica, communicatie en laagspanningscircuits |
| 250 V DC | SELV/PELV, elektronische apparatuur en gevoelige circuits |
| 500 V DC | Reguliere 230V- en 400V-installaties, kabels, motoren en conventionele arbeidsmiddelen |
| 1.000 V DC | Installaties en componenten met een hogere nominale spanning of specifieke industriële toepassingen |
| 2.500 V en hoger | Hoogspanningskabels, grote motoren, transformatoren en specialistische conditiemetingen |
Testspanningen van 2.500 V, 5.000 V of hoger behoren tot specialistische metingen. Hiervoor zijn speciale isolatietesters beschikbaar die vaak ook functies hebben voor tijdsafhankelijke metingen, zoals de polarisatie-index en de dielectric absorption ratio.
Gevoelige elektronica kan de meting beïnvloeden
Een veelgemaakte fout is dat een volledige machine of installatie zonder voorbereiding met 500 V wordt getest. Moderne apparatuur kan onderdelen bevatten zoals:
- frequentieregelaars;
- PLC-systemen;
- voedingen;
- led-drivers;
- overspanningsbeveiligingen;
- netfilters;
- varistoren;
- condensatoren;
- meet- en regelapparatuur.
Deze componenten kunnen de meetwaarde verlagen, de testspanning begrenzen of beschadigd raken. Ook kan een apparaat hierdoor ten onrechte worden afgekeurd.
Controleer daarom vóór de meting:
- welke componenten op het meetcircuit zijn aangesloten;
- of deze bestand zijn tegen de gekozen testspanning;
- of componenten tijdelijk moeten worden losgekoppeld;
- welke meetmethode de fabrikant voorschrijft;
- welke testspanning volgens de toepasselijke norm moet worden gebruikt.
Waarom loopt de meetwaarde soms op?
Bij het starten van de isolatiemeting kan de weergegeven weerstand eerst laag zijn en vervolgens oplopen. Dit komt onder andere doordat kabels, condensatoren en isolatiematerialen tijdens de meting worden opgeladen.
Wacht daarom tot de meetwaarde voldoende stabiel is. Bij grote motoren, lange kabels en installaties met een hoge capaciteit kan dit langer duren.
Na de meting kan nog elektrische lading aanwezig zijn. Gebruik daarom bij voorkeur een isolatietester die het testobject na afloop automatisch ontlaadt. Professionele testers geven vaak ook aan of er nog een gevaarlijke restspanning aanwezig is.
Een hoge meetwaarde betekent niet automatisch dat alles goed is
Een isolatieweerstandsmeting is slechts één onderdeel van een inspectie of keuring. Een hoge meetwaarde sluit andere gebreken niet uit.
Denk bijvoorbeeld aan:

- een onderbroken beschermingsleiding;
- losse verbindingen;
- mechanische beschadigingen;
- foutieve beveiligingen;
- onvoldoende trekontlasting;
- vervuiling die alleen bij warmte of vocht problemen veroorzaakt;
- isolatiefouten die pas bij bedrijfstemperatuur optreden.
Combineer een isolatieweerstandsmeting daarom altijd met een visuele inspectie en de overige voorgeschreven metingen.
Welke testspanning moet u uiteindelijk kiezen?
Als praktische hoofdregel kunt u het volgende aanhouden:
Kies de testspanning die bij de nominale spanning en het type object hoort, maar controleer altijd eerst of aangesloten componenten deze spanning kunnen verdragen.
Voor een normale 230V- of 400V-installatie is 500 V vaak de aangewezen instelling. Bij gevoelige elektronica kan 250 V, 100 V of een alternatieve meetmethode nodig zijn. Een testspanning van 1.000 V of hoger gebruikt u alleen wanneer de toepassing of meetprocedure dit verlangt.
De instructies van de fabrikant en de toepasselijke norm zijn altijd leidend. Een hogere testspanning is niet automatisch beter. De juiste testspanning levert een betrouwbare beoordeling op zonder het te testen object onnodig te belasten.
Isolatieweerstandsmeter kiezen
Wilt u isolatieweerstand meten, let dan bij de keuze van een meetinstrument onder andere op:

- de beschikbare testspanningen;
- het maximale meetbereik;
- automatische ontlading;
- detectie van aanwezige spanning;
- de meetcategorie;
- opslag en rapportage van meetresultaten;
- instelbare grenswaarden;
- toepasbaarheid voor installaties, machines of arbeidsmiddelen.
In het assortiment van Meetwinkel.nl vindt u isolatieweerstandsmeters, installatietesters en apparatentesters voor verschillende toepassingen. Zo kiest u een meetinstrument dat past bij uw inspectiewerkzaamheden en de testspanningen die u in de praktijk nodig heeft.
Voor meer informatie stuur een mail naar info@meetwinkel.nl of bel ons op 088-2450050