Een installatietester gebruiken: welke metingen voert u in welke volgorde uit?
Een installatietester combineert verschillende meetfuncties voor het inspecteren van elektrische laagspanningsinstallaties. Maar welke meting voert u als eerste uit? En waarom is de volgorde belangrijk?
Een goede inspectie bestaat niet uit zomaar een reeks metingen. Sommige controles moeten plaatsvinden voordat de installatie onder spanning wordt gezet, terwijl andere metingen juist alleen onder spanning mogelijk zijn. In dit artikel zetten we de praktische meetvolgorde op een rij.
Eerst inspecteren, daarna meten
Een elektrische installatie wordt niet alleen beoordeeld op meetwaarden. Begin daarom altijd met een visuele inspectie.
Controleer onder andere:
- de algemene toestand van de installatie;
- verdeelinrichtingen en componenten;
- bedrading, kabels en aansluitingen;
- beschermingsleidingen en vereffeningsverbindingen;
- beveiliging tegen elektrische schok;
- aardlekschakelaars en installatieautomaten;
- beschadigingen, verkleuringen en andere zichtbare afwijkingen;
- opschriften, identificatie en documentatie.
Een zichtbaar onveilige situatie kan reden zijn om eerst maatregelen te nemen voordat metingen worden uitgevoerd.
1. Continuïteit van beschermingsleidingen
Na de visuele inspectie wordt gecontroleerd of beschermingsleidingen en vereffeningsleidingen elektrisch doorlopend zijn.
Met een installatietester wordt een lage weerstand gemeten tussen relevante geleidende delen en de beschermingsleiding. Hiermee wordt vastgesteld of de beschermingsverbinding daadwerkelijk aanwezig is en voldoende laagohmig is.
Deze meting wordt normaal gesproken uitgevoerd in spanningsloze toestand.
2. Isolatieweerstand
Vervolgens kan de isolatieweerstand van de installatie worden gemeten. Hiermee wordt gecontroleerd of de isolatie tussen actieve geleiders onderling en ten opzichte van aarde voldoende is.
De installatietester brengt hiervoor een DC-testspanning aan, bijvoorbeeld 250, 500 of 1000 V DC. Welke testspanning wordt gebruikt, is afhankelijk van de installatie en de aangesloten apparatuur.
Let hierbij goed op gevoelige elektronische apparatuur. Deze kan de meting beïnvloeden of door een verkeerd uitgevoerde isolatiemeting worden beschadigd.
3. Polariteit
Met een polariteitscontrole wordt vastgesteld of geleiders en schakelaars correct zijn aangesloten. Zo moet bijvoorbeeld bij een enkelpolige schakelaar de fasegeleider worden onderbroken en niet de nulgeleider.
Een verkeerde polariteit kan ertoe leiden dat delen van de installatie onverwacht onder spanning blijven staan.
Afhankelijk van de situatie kan polariteit spanningsloos door middel van een continuïteitsmeting of onder spanning worden gecontroleerd.
4. Aardingsweerstand
Bij installaties waarbij een aardelektrode onderdeel vormt van de beschermingsmaatregel kan de aardingsweerstand moeten worden bepaald.
Daarvoor bestaan verschillende methoden, waaronder metingen met hulpelektroden en selectieve meetmethoden. Welke methode geschikt is, hangt sterk af van de opbouw en het aardingssysteem van de installatie.
De aardingsweerstand moet niet worden verward met de foutlusimpedantie. Het zijn verschillende metingen met een verschillend doel.
Vanaf hier: metingen onder spanning
Wanneer de noodzakelijke spanningsloze controles zijn uitgevoerd en het verantwoord is de installatie in bedrijf te nemen, volgen de metingen waarvoor netspanning nodig is.
Dit onderscheid is belangrijk: eerst zoveel mogelijk veilig spanningsloos controleren, daarna pas onder spanning meten.
5. Foutlusimpedantie
De foutlusimpedantie geeft informatie over de impedantie van het circuit waarlangs bij een fout de foutstroom loopt.
Aan de hand hiervan kan worden beoordeeld of bij een fout een voldoende grote stroom kan ontstaan om de beveiliging binnen de vereiste tijd automatisch uit te schakelen.
Een te hoge foutlusimpedantie kan betekenen dat een installatieautomaat of andere beveiliging bij een fout niet snel genoeg aanspreekt.
Bij circuits achter een aardlekschakelaar moet een geschikte meetmethode worden gebruikt om ongewenst aanspreken van de RCD tijdens de meting te voorkomen.
6. RCD-test
Een aardlekschakelaar (RCD) moet niet alleen aanwezig zijn, maar ook correct functioneren.
Met een installatietester kan onder andere worden gecontroleerd bij welke foutstroom en binnen welke tijd de RCD uitschakelt. Afhankelijk van het type tester zijn verschillende automatische testreeksen mogelijk.
Controleer daarbij altijd welk type RCD aanwezig is en welke instellingen bij de betreffende beveiliging horen.
7. Functionele beproeving
Tot slot wordt gecontroleerd of de installatie en aanwezige beveiligings- en bedieningsvoorzieningen in de praktijk correct functioneren.
Denk bijvoorbeeld aan schakelaars, noodschakelingen, beveiligingen en andere functies die voor een veilige werking van de installatie van belang zijn.
Een installatie kan elektrisch goede meetwaarden hebben en toch functionele gebreken vertonen.
De meetvolgorde in één overzicht
Een praktische basisvolgorde is:
Visuele inspectie → continuïteit beschermingsleidingen → isolatieweerstand → polariteit → aardingsweerstand (indien van toepassing) → installatie onder spanning → foutlusimpedantie → RCD-test → functionele beproeving → rapportage
Dit is geen universeel stappenplan dat zonder nadenken op iedere installatie kan worden toegepast. De exacte inspectie en meetvolgorde is afhankelijk van onder andere het type installatie, het aardingssysteem, de toegepaste beschermingsmaatregelen en het doel van de inspectie.
Vergeet de rapportage niet
Een inspectie is pas compleet wanneer de bevindingen goed worden vastgelegd. Noteer niet alleen of een onderdeel is goed- of afgekeurd, maar leg relevante meetwaarden en geconstateerde afwijkingen vast.
Een goede rapportage bevat bijvoorbeeld de uitgevoerde inspecties en metingen, meetresultaten, gebruikte meetapparatuur, geconstateerde gebreken en een duidelijke beoordeling.
Zo kunnen meetresultaten later worden herleid en kan worden aangetoond waarop de beoordeling van de installatie is gebaseerd.
Een installatietester neemt de beoordeling niet over
Moderne installatietesters kunnen steeds meer metingen automatisch uitvoeren en resultaten opslaan. Toch bepaalt het meetinstrument niet zelfstandig of een complete elektrische installatie veilig is.
De inspecteur moet weten wat hij meet, waarom hij dat meet en hoe de meetwaarde moet worden beoordeeld. Juist daarom is een vaste en logisch opgebouwde meetvolgorde zo belangrijk.
Meetwinkel.nl levert installatietesters voor het inspecteren van elektrische installaties, van compacte basismodellen tot uitgebreide testers met geheugen, rapportagesoftware en automatische testprocedures. Voor een betrouwbare inspectie is niet alleen het juiste meetinstrument belangrijk, maar vooral ook de kennis om het correct te gebruiken.